Haaientanden

“Ja”, zei Tijl vanochtend terwijl hij bij me in bed kroop, “ik lees dus het boekje Haaientanden van de Kinderboekenweek en van dat meisje in het boek heeft de moeder ook borstkanker.”
“O”, zei ik. “En wordt ze ook weer beter?”
“Ja.”
Het was even stil.
Moet ik hier nu dan wat mee doen, vroeg ik me af. Ik waagde een poging.
“Vond je het vorig jaar spannend of ik weer beter werd?”
“Nee.”
“Wat vond je wel spannend?”
“Heel even je kale hoofd, toen ik die voor het eerst zag, schrok ik wel een beetje. Maar daarna niet meer. Ik ga opstaan!”

Dirk is tegen de avond de jongens weer ophalen, als ik de opgevouwen was (yes, dat lukt me weer 💪) naar Tijls kamer breng. Ik zie het boekje liggen op zijn bed en blader, tot ik het vind. De moeder van de hoofdrolspeelster heeft inderdaad borstkanker. Ik ga snel door de pagina`s heen. Het is heel echt, over scans, wachten, overleggen van de dokters. En vooral over de fietstocht die het meisje maakt omdat ze zo graag wat wil doen. Het loopt inderdaad goed af. De moeder wordt beter, ze gaan daarna op vakantie en ze schrijft dat het niet meer hetzelfde wordt maar dat ze per dag genieten van een zomer zonder ziekte en zonder steeds maar dat wachten.

Hoewel ik elke dag bewust en onbewust geconfronteerd wordt met afgelopen jaar (door mijn conditie die nu gelukkig beter wordt, door de anti-hormoonpillen die ik dagelijks slik, door de grote littekens over mijn borst) lijkt toch ook net of het niet over mij gaat. Dat gaat het ook niet, maar het is zo gek om over exact dezelfde situatie te lezen, terwijl je vroeger hoopte dat nooit te hoeven meemaken: dat je kinderen ineens een moeder hebben die borstkanker heeft gehad. En nu is het vorig jaar allemaal gebeurd. Hebben wij ook onze vakantie gehad zonder ziekte en wachten. Over het lot dat je lukraak treft, ga je niet. Het is zoals het is, en meer dan in de laatste weken besef ik me dat het goed is, zo. Er komen weer spannende weken aan (eerste MRI-scan sinds de behandeling, daarna nog een hersteloperatie), maar daar probeer ik me zo over te voelen zoals ik het vertel aan de jongens. “Ook dit komt goed.” Terwijl ik tegenwoordig van mezelf ook mag voelen dat het eng is, dat ik er niet altijd goed mee om weet te gaan en dat dat okee is. Het kan beide naast elkaar bestaan. Net als bij een kind, net als bij Tijl. “Ik vond dat kale hoofd best spannend, maar nu ga ik opstaan.”

Als ik de deurbel hoor, ren ik de trappen af naar beneden, Tijl en Ollie komen thuis, ze sprinten altijd voor Dirk uit en bellen aan. Ik doe de deur open en knuffel ze zo hard als ik kan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *