Ben je weer beter

De wangen zijn weer rond en gezond, de ogen helder, het hoofd frisser en het lijf steeds sterker. En ik ben weer aan het werk. Nog slechts een paar uur per week, maar toch. Het gaat de goede kant op!

Dus ik kom ook weer meer mensen tegen buiten mijn veilige comfortzone die Haarlem heet, mensen die ik nog niet had gezien, die logischerwijs vragen stellen. Ben je beter, is er een van. En misschien heel vreemd, maar ik weet niét wat ik daarop moet zeggen. Ja, de tumor is weg. Schone snijranden enzo. Had verder geen uitzaaiingen. Nog steeds niet, naar ik weet. De komende tien jaar aan de hormoonpillen. Grootste kans dat het niét terugkomt. Zo’n halve – en voor leken onbegrijpelijke – medische verhandeling in plaats van een kort en duidelijk: “ja”. Want dat durf ik niet.

Mijn dokter V. heeft ook helemaal niet met die geblokte vlag  gezwaaid, bedenk ik me als ik de vraag gesteld krijg. Hij vond de nieuwe borst er de laatste keer mooi uitzien, zei dat alles radicaal weg is en plande vast voor aanstaande december de MRI in die ik vanaf nu jaarlijks ga krijgen. Beter of schoon, ze hekelen die termen niet. Je mag met vragen altijd langskomen, dat zeggen ze wel.

Dus toen ik vorige week weer op de stoep stond bij mijn specialistisch verpleegkundige P. omdat ik het omgaan met die rondgierende angsten nog het moeilijkste vind van alles (wat voel ik daar? Klopt dat? Alert en óók ontspannen blijven, zei ze toch? Is het nou alert of juist overspannen als ik weer bel?), vroeg ik P. meteen ook even wat ik moet antwoorden op “ben je beter?”. Want mijn coach zegt, op alles wat lastig is, antwoord je “weet ik niet”. Maar ik ga toch geen “weet ik niet” antwoorden op de vraag of ik beter ben? Ik voel me op wat conditionele verbeterpunten na, toch weer behoorlijk ouderwets gezond. Beter dan voordat ik van het bestaan van de tumor wist.

In haar kamer met uitzicht op twee felgekleurde, gipsen konijntjes op het met gras begroeide ziekenhuisdak, keek P. me aan met haar altijd heldere blik en zei ze gevat: “Beter? Maar je was toch niet ziek? Je had daar een tumor zitten. En die is helemaal weg!”

En inderdaad, dat is precies hoe ik het ook zei, toen ik nog kaal van de chemo rondliep. Als mensen mij aanspraken in combinatie met de term ziek, zei ik: “Nee, nee, dat ben ik niet, ik heb borstkanker, maar ik ben niet ziek. Die tumor is heel plaatselijk”, wees ik ze dan nog even aan door luchtcirkeltjes rond mijn borst te maken met mijn wijsvinger. (Ik weet waar de eigenwijsheid van mijn jongste zoon vandaan komt.) En inderdaad, dat is het. Het was plaatselijk. Het was een tumor. En het is weg.

Nu nog leren omgaan met de angst (en het alert zijn én ontspannen), maar daar gaan ze me ook doorheen trekken, zegt P.: “En dat gaat lukken, want je bent toch ook al gekomen waar je nu bent!” Wat een tópteam is het toch.

Wat ík kan doen, is eigenlijk hetzelfde als nadat ik het nare bericht kreeg, vorig jaar op 11 juli. Toen moest ik ineens dealen met de wetenschap dat ik borstkanker had op mijn 46e, met twee kleine kinderen. Hebben zij volgend jaar nog wel een moeder? En hoezo héb ik dit eigenlijk? Eerst nu, dan pas straks, zei mijn broer steeds. Proberen niet te veel voor- of achteruit te denken. En wat het beste helpt om in het nu te blijven, is heel bewust te leven. Bewust genieten van de kinderen, bewust goede nummers draaien in de auto op weg naar mijn werk, bewust lekker koken en ook echt proeven wat je eet, bewust lachen en dansen op de dansvloer van een heel leuk huwelijksfeest waar lieverds me een emotionele knuffel geven op het nummer “Leef” van André Hazes jr (nee, die zag ik ook niet aankomen).

En steeds als ik het nu dreig te verliezen, krijg ik onverwacht ondersteuning van anderen. Van een lieve vriendin die me met de hond op komt halen om te lunchen en ineens een aai over mijn wang geeft, van een welgemeende schouderklop van een moeder op school als we op de kinderen wachten, van de slappe lach met een oude vriendin over vakanties van vroeger, van een nieuwe collega die uit de doeken doet hoe lastig het is om niét over de toekomst en het verleden te piekeren, maar juist in het nu te blijven en waar je zomaar een heel mooi gesprek mee hebt.

In het boek “Het Obstakel is de Weg” over de filosofische levensbenadering het Stoïcisme (dat leek me nou een fijne wijze om om te gaan met problemen) lees ik op de eerste bladzijde al hoe keizer Marcus Aurelius in 170 AC een verhandeling schreef over omgaan met tegenslagen. Bijna tweeduizend jaar geleden maakte hij de prachtige zin: “Wat in de weg staat, wórdt de weg.” Mooier kan ik het niet maken.

3 gedachten over “Ben je weer beter”

  1. Mooi hoor als je zo kan schrijven over je gevoelens. Hou vol, good things come to those who wait, zeggen de Ieren.💪

  2. Mooi geschreven, dat doe je goed! Want jij vind het moeilijk om antwoord te geven maar vaak vinden die mensen het moeilijk de juiste vraag te stellen. Het blijft lastig maar door jouw eerlijke verhaal wordt het wel makkelijker.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *